Kennelijk onbehoorlijk bestuur

De voormalige bestuurder van een inmiddels ontbonden BV werd aansprakelijk gesteld voor de betaling van een aan de BV opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting. Er volgde een procedure over de vraag of de bestuurder terecht en voor het juiste bedrag aansprakelijk was gesteld. In deze procedure kwam ondermeer aan de orde of de naheffingsaanslag omzetbelasting tijdig was opgelegd en of sprake was geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurder.
 
De naheffingsaanslag had betrekking op de periode 1 juli 2003 tot en met 31 december 2003 en was opgelegd op 10 december 2008, maar volgens de bestuurder pas eind 2009 aan de BV bekendgemaakt. Volgens de bestuurder gold die datum als de dag waarop de naheffingsaanslag was opgelegd. Eind 2008 was de termijn voor het opleggen van de naheffingsaanslag verstreken. De rechtbank was van oordeel, gelet op de dagtekening van de naheffingsaanslag en de betekening aan de opvolgende bestuurder van de BV, dat de naheffingsaanslag tijdig was vastgesteld. Bekendmaking in 2008 aan de BV was niet mogelijk omdat de BV toen niet meer bestond. In een arrest uit 2003 heeft de Hoge Raad gezegd dat het vaststellen van een aanslag op naam van een ontbonden BV niets anders is dan het constateren dat op die BV in het desbetreffende jaar een belastingschuld heeft gedrukt. Volgens de rechtbank volgt uit dit arrest dat een latere bekendmaking de rechtsgeldigheid van de naheffingsaanslag niet kan aantasten.

De rechtbank vond aannemelijk dat de bestuurder van de BV bewust onjuiste aangiften had gedaan. Het bewust doen van onjuiste aangiften is dermate laakbaar dat dit als kennelijk onbehoorlijk bestuur moet worden aangemerkt, aldus de rechtbank.